Per woningtype
Kan een oude woning energielabel A krijgen? Ja — zo dan
Ja — ook een woning van vóór 1920 kan energielabel A halen. De voorwaarde is een compleet pakket: gevelisolatie aan de binnen- of buitenzijde, dak- én vloer- of bodemisolatie, isolatieglas, een warmtepomp met bijpassende ventilatie en zonnepanelen. Het traject is duurder dan bij een naoorlogse woning, en het loopt in de praktijk vooral op twee punten vast: de kruipruimte en de kozijnen.
Wie deze vraag aan een chatbot stelt, krijgt meestal een voorzichtig "dat wordt lastig". Wie hem op een verjaardag stelt, krijgt een stelliger antwoord: oude huizen halen nooit A, klaar. Wij tekenen bezwaar aan. Niet uit optimisme, maar omdat we bij opnames geregeld vooroorlogse woningen tegenkomen die na een goede verbouwing gewoon op A staan — en omdat de redenering achter het "nee" een denkfout bevat die je geld kan kosten, welke kant je ook op beslist.
Eerlijk is eerlijk: de scepsis komt ergens vandaan. Daarom eerst de oorsprong van dat idee, dan wat er werkelijk voor nodig is, een praktijkvoorbeeld met het subsidiesommetje erbij, en ten slotte de twee plekken waar het traject in onze ervaring het vaakst spaak loopt.
Waarom denkt iedereen dat een oude woning nooit label A haalt?
Omdat het lang bijna waar was. De betaalbare verduurzamingsroute van de afgelopen decennia leunde zwaar op één maatregel: de spouwmuur laten volspuiten. Goedkoop, klaar in een dag, direct voelbaar. Een woning van vóór 1920 heeft die spouw niet — massief metselwerk was toen de norm — en dus viel de goedkoopste stap weg. Wat overbleef was duurder maatwerk, en ergens onderweg werd "de goedkope route bestaat hier niet" versimpeld tot "het kan hier niet". Dat is de denkfout.
Er speelt nog iets mee: de startpositie. Vooroorlogse woningen staan zonder ingrepen inderdaad vaak op E, F of G. De afstand tot A oogt dan enorm, zeker naast een woning uit de jaren negentig die met een paar maatregelen van C naar B schuift. Maar afstand is niet hetzelfde als onhaalbaarheid — het is vooral een langere maatregelenlijst en een groter budget.
En ten slotte de verhalen uit de tweede hand. Iedereen kent iemand die "tienduizenden euro's uitgaf en op C bleef steken". Wij kennen die woningen ook, en bij de opname zien we dan vrijwel altijd hetzelfde beeld: er is fors geïnvesteerd in één of twee maatregelen — een dak vol zonnepanelen is favoriet — terwijl de gevel en het glas onaangeroerd bleven. Het label rolt uit een berekening volgens de NTA 8800-methode, die de hele woning weegt: hoeveel warmte er weglekt, hoe zuinig die warmte wordt opgewekt en hoeveel energie de woning zelf produceert. Wie één knop vol opendraait en de rest laat zitten, koopt een dure teleurstelling. Dat is geen bewijs dat A onmogelijk is; het is bewijs dat een half pakket niet werkt.
Wat maakt een woning van vóór 1920 zo lastig te isoleren?
Het korte antwoord: de bouwwijze. Vier eigenschappen komen bij vrijwel elke opname van een vooroorlogse woning terug.
Massieve gevels. De spouwmuur werd pas in de loop van de jaren twintig en dertig gangbaar. Een gevel zonder spouw kun je niet vullen; je moet er een isolatielaag tegenaan zetten, aan de binnenzijde of aan de buitenzijde. Binnenisolatie kost woonruimte en vraagt bouwfysisch maatwerk — massief metselwerk gaat anders met vocht om dan een spouwconstructie, en een slecht gedetailleerde voorzetwand kan condensproblemen veroorzaken. Buitenisolatie is bouwkundig eleganter, maar verandert het gevelbeeld, en juist bij deze woningen is dat gevelbeeld vaak de reden dat mensen er wonen.
Een lage of afwezige kruipruimte. Houten vloeren op balken boven een ondiepe kruipruimte, of vloeren die direct op het zand liggen. Daarover verderop meer, want dit is strandpunt één.
Slanke kozijnen met enkel glas. De houten profielen van toen zijn niet ontworpen voor het gewicht en de dikte van modern isolatieglas. Strandpunt twee.
Veel volume en veel kieren. Hoge plafonds betekenen meer lucht om te verwarmen per vierkante meter woonoppervlak, en een woning van ruim honderd jaar oud heeft naden en aansluitingen die in geen enkele bouwtekening meer kloppen. Kierdichting is hier geen detail maar een serieuze post.
Overigens is "oud" geen scherp begrip. Een woning uit de jaren dertig zit er qua bouwwijze tussenin: vaak wél een spouw, maar een smalle — wat de aanpak weer anders maakt, zoals we uitwerken in onze gids voor het energielabel van een jaren-30-woning. Dit artikel gaat over de generatie daarvoor: de stadswoningen, herenhuizen en dorpswoningen van vóór pakweg 1920, waar de spouw echt ontbreekt.
Welke maatregelen zijn er nodig voor label A in een vooroorlogse woning?
Dezelfde drie lagen als bij elke bestaande woning — schil, installatie, opwek — maar met een andere invulling en een ander prijskaartje. Hieronder de vooroorlogse variant, met de ISDE-subsidiebedragen 2026 voor eigenaar-bewoners erbij. Het eerste bedrag geldt bij één losse maatregel, het tweede zodra je binnen 24 maanden twee of meer maatregelen combineert.
| Laag | Maatregel | ISDE 2026 (1 / 2+ maatregelen) |
|---|---|---|
| Schil | Gevelisolatie (binnen- of buitenzijde) | €20,25 / €40,50 per m² |
| Schil | Dakisolatie (of zoldervloer) | €16,25 / €32,50 (zoldervloer €4 / €8) per m² |
| Schil | Vloerisolatie (of bodemisolatie) | €5,50 / €11 (bodem €3 / €6) per m² |
| Schil | Triple glas in nieuwe kozijnen (of HR++) | €111 / €222 (HR++ €25 / €50) per m² |
| Schil | Isolerend paneel in kozijn (U ≤ 0,7) | €45 / €90 per m² |
| Installatie | (Hybride) warmtepomp | 20-30% van de investering |
| Installatie | CO₂-gestuurde ventilatie of balans + WTW | €400, alleen naast isolatie |
| Opwek | Zonnepanelen | geen ISDE, wel btw-nultarief |
Twee dingen vallen op aan deze tabel. Ten eerste: de gevelpost. Waar een naoorlogse woning met spouwvulling à €5,25 tot €10,50 per m² klaar is, staat hier gevelisolatie voor €20,25 tot €40,50 per m² aan subsidie — en het subsidietarief is een aardige graadmeter voor de kostprijs van het werk zelf. Dit is de post die het vooroorlogse A-traject duurder maakt dan elk ander, en tegelijk de post die je niet kunt overslaan: een woning waar de volledige gevel warmte blijft lekken, rekent zich in de NTA 8800-methode niet naar een A.
Ten tweede: de volgorde ligt vast. Eerst de schil compleet — gevel, dak, vloer of bodem, glas — dan pas de installatie; dezelfde volgorde als in de algemene route naar energielabel A in een bestaande woning, alleen weegt hier elke stap zwaarder. Elke euro die de warmtevraag verlaagt, maakt de warmtepomp die erna komt kleiner en beter passend bij een woning met deels behouden details. En pas als schil en installatie staan, zijn zonnepanelen het sluitstuk dat de berekening over de streep duwt. Andersom werkt niet: opwek compenseert geen lekkende gevel, hoogstens op papier een beetje en in de woonkamer helemaal niet.
De ventilatie verdient een aparte zin. Een vooroorlogse woning ventileerde altijd vanzelf — via de kieren. Wie de schil dichtzet, moet gecontroleerd gaan ventileren, en een systeem met warmteterugwinning telt in de labelberekening mee als besparing. De ISDE draagt er €400 aan bij, op voorwaarde dat je de ventilatie combineert met minstens één isolatiemaatregel.
Hoe ziet dat eruit in de praktijk? Een woning uit 1908 naar A
Een situatie die wij in elke oude stadswijk tegenkomen: een tussenwoning uit 1908. Massieve gevels, houten vloer boven een lage kruipruimte, enkel glas met hier en daar een voorzetraam, een cv-ketel en een label F op de teller. De eigenaren gaan verbouwen — keuken eruit, indeling anders — en stellen de vraag van dit artikel: als we toch bezig zijn, halen we dan meteen A?
Het pakket dat hier logisch is, volgt de drie lagen. De gevel krijgt aan de binnenzijde een geïsoleerde voorzetwand, meegenomen in de verbouwing nu de wanden toch open liggen — Maxiko beschreef zo'n traject van begin tot eind in een case over een vooroorlogs herenhuis, inclusief wat het aan de bouwkant betekent. Het dak wordt vanaf de binnenzijde geïsoleerd. De kruipruimte is te laag om onder de vloer te werken, dus daar gaat bodemisolatie in — isolatiemateriaal op de bodem van de kruipruimte in plaats van tegen de vloer. De kozijnen worden vervangen door nieuwe houten kozijnen met hetzelfde profiel en triple glas. Daarbovenop een warmtepomp, balansventilatie met warmteterugwinning en tot slot zonnepanelen op het achterdakvlak.
Voor het subsidiesommetje nemen we aannames — de vierkante meters van jouw woning wijken af, het gaat om de systematiek. Stel 55 m² gevel aan de binnenzijde, 45 m² dak, 40 m² kruipruimtebodem en 18 m² glas. Omdat er meerdere maatregelen binnen 24 maanden gepland staan, geldt overal het hoge ISDE-tarief:
- Gevelisolatie binnenzijde: 55 m² × €40,50 = €2.227,50
- Dakisolatie: 45 m² × €32,50 = €1.462,50
- Bodemisolatie: 40 m² × €6 = €240
- Triple glas in nieuwe kozijnen: 18 m² × €222 = €3.996
- Ventilatie: €400 vast
- Samen ruim €8.300 aan vaste bedragen, plus 20-30% van de investering in de warmtepomp
Levert dit gegarandeerd een A op? Dat zeggen wij nooit zonder berekening, en wantrouw iedereen die het wél belooft. Wat we kunnen zeggen: bij vooroorlogse woningen waar de hele schil in één verbouwing wordt aangepakt — gevel, dak, bodem én glas — en waar warmtepomp en panelen het pakket afmaken, zien we de sprong van F naar A in de praktijk slagen. Waar het misgaat, is vrijwel altijd op een van de twee punten hieronder. En plan de opname pas ná de laatste maatregel, zodat alle winst in één keer in het nieuwe label zit.
Waar strandt het meestal?
Twee onderdelen bepalen in onze opnamepraktijk of een vooroorlogs A-traject doorgaat, halveert of sneuvelt. Niet de warmtepomp, niet de panelen — die zijn tegenwoordig routine. Het zijn de kruipruimte en de kozijnen.
Strandpunt 1: de kruipruimte
Vloerisolatie zoals de installateur hem het liefst uitvoert — isolatiemateriaal tegen de onderkant van de vloer, aangebracht vanuit de kruipruimte — vraagt werkruimte onder de woning. Bij vooroorlogse woningen is die er vaak niet: de kruipruimte is een ondiepe spleet, staat een deel van het jaar vochtig of ontbreekt helemaal omdat de vloer op het zand ligt.
Dan zijn er drie routes, in oplopende ingrijpendheid. Is er wél een kruipruimte maar te weinig hoogte om te werken, dan is bodemisolatie het alternatief: isolerend materiaal op de bodem van de kruipruimte. Het isoleert minder direct dan een laag tegen de vloer zelf — je verwarmt als het ware de kruipruimte een beetje mee — maar het dempt óók het vocht van onderaf, wat bij deze woningen een probleem op zich is. De ISDE-tegemoetkoming is er met €3 tot €6 per m² naar: bescheiden, net als de kostprijs.
Ligt de vloer op zand, dan blijft isoleren bovenlangs over: de vloeropbouw eraf, isolatie erop, nieuwe afwerkvloer erover. Dat betekent dat deuren, plinten, trapaansluitingen en soms de keuken meebewegen — als losse klus zelden te verantwoorden, als onderdeel van een verbouwing waarbij de vloer toch open ligt ineens heel logisch. Precies daarom zien wij vooroorlogse A-trajecten vrijwel altijd samenvallen met een grotere verbouwing.
De derde route is accepteren dat de vloer even niet meedoet en de rest van de schil zwaarder aanzetten. Dat kán in de berekening goed uitpakken, maar het comfortprobleem — koude voeten in januari — los je er niet mee op, en het maakt het eindresultaat gevoeliger voor tegenvallers elders in het pakket.
Strandpunt 2: de kozijnen
Het tweede strandpunt zit in het houtwerk. Triple glas is dikker en zwaarder dan waar een vooroorlogs kozijn ooit voor is gemaakt; in de meeste gevallen betekent triple dus nieuwe kozijnen, en dat maakt de glaspost in één klap de duurste regel na de gevel. Het ISDE-tarief van €111 tot €222 per m² zegt genoeg over wat dit werk kost. Wat er per glassoort gebeurt met je label en waar de grens ligt tussen glas vervangen en kozijnen vervangen, hebben we uitgewerkt in ons artikel over HR-glas en het energielabel.
Er is een tussenweg die wij steeds vaker terugzien bij woningen waar het kozijnbeeld behouden moet blijven: vacuümglas. Dat is nauwelijks dikker dan enkel glas en valt binnen de ISDE in dezelfde categorie als triple, met hetzelfde tarief. Niet elke ruit en niet elk kozijn leent zich ervoor, maar het verandert de afweging bij karakteristieke gevels wezenlijk.
Voor draaiende delen en de panelen onder of boven het glas bestaat daarnaast het isolerende paneel (€45 tot €90 per m² ISDE), dat in het bestaande kozijn past. In combinatie met vacuümglas blijft het gevelbeeld dan vrijwel onaangetast — voor veel eigenaren de reden dat zo'n traject alsnog doorgaat.
Staat de woning onder bescherming — rijksmonument, gemeentelijk monument of beschermd stadsgezicht — dan bepaalt niet de techniek maar de vergunning wat er aan de straatzijde mag. Het traject verschuift dan naar binnenisolatie, glasoplossingen in het bestaande kozijn en slimme keuzes aan de achterzijde. Dat is een vak apart, met eigen regels én eigen tegemoetkomingen, dat we apart behandelen in energielabel en monument: wat kan er wél.
Welke subsidies drukken de rekening?
Voor eigenaar-bewoners is de ISDE de hoofdroute, en de regeling is opvallend goed toegesneden op precies dit soort trajecten. De spelregels die het verschil maken:
Het dubbele tarief is de grootste knop. Twee of meer maatregelen binnen 24 maanden betekent het hoge tarief over de hele linie: gevel van €20,25 naar €40,50 per m², dak van €16,25 naar €32,50, triple van €111 naar €222. Een vooroorlogs A-pakket bestaat per definitie uit meerdere maatregelen, dus wie plant, valt vanzelf in het hoge tarief. Wie de klussen over vele jaren uitsmeert, laat de helft liggen.
Er gelden ondergrenzen. Gevelisolatie telt mee vanaf 10 m², dak- en vloerisolatie vanaf 20 m². Bij een compleet pakket haal je die vlot; bij een deelklus — alleen de achtergevel, alleen de aanbouw — is het een controlepunt vooraf.
De warmtepomp krijgt 20 tot 30%, mits het apparaat op de meldcodelijst van RVO staat, en doe-het-zelfwerk telt nergens mee: de ISDE vergoedt alleen werk van een erkend bouw- of installatiebedrijf. Juist bij oude woningen, waar handige eigenaren graag zelf de kruipruimte induiken, kost dat onwetend geld. Alle tarieven, voorwaarden en de aanvraagprocedure staan in detail in onze gids over de ISDE 2026 voor eigenaar-bewoners.
Verhuur je de woning, dan loopt de route via de SVOH: dezelfde vergoedingen per vierkante meter, met een plafond van €10.000 per woning — en €15.000 als er een warmtepomp in het pakket zit. Voor een vooroorlogs traject met die dure gevelpost is dat plafond sneller in zicht dan je denkt, wat de volgorde van aanvragen tot een strategische keuze maakt.
Wie het bedrag niet in één keer op de plank heeft liggen: via het Nationaal Warmtefonds bestaat een leenroute voor verduurzamingsmaatregelen. En op de zonnepanelen als sluitstuk zit weliswaar geen ISDE, maar wel het btw-nultarief. Voor particuliere eigenaren van een rijksmonument met woonfunctie is er tot slot de Woonhuissubsidie, die 38% van de onderhoudskosten dekt — geen verduurzamingsregeling, maar bij gecombineerd herstel- en isolatiewerk het uitzoeken waard.
Is label A de investering waard — of stop je beter op B?
Voor de eigenaar-bewoner is het antwoord genuanceerd, en dat mag gezegd. De grootste comfortwinst — geen tocht, warme vloer, lagere rekening — zit in de eerste labelsprongen. De laatste stap naar A is bij een vooroorlogse woning de duurste, en wie er zelf blijft wonen zonder verkoopplannen mag daar rustig de streep trekken bij B. Onze vuistregel: valt de laatste stap alleen nog te verantwoorden "voor de letter", stel hem dan uit tot een natuurlijke aanleiding — een kozijn dat toch vervangen moet, een dak dat open gaat.
Voor de verhuurder ligt de rekensom anders, want in de puntentelling van de Huurcommissie loopt het energielabel zwaar mee:
| Label | Eengezinswoning | Meergezinswoning |
|---|---|---|
| A | 41 | 37 |
| B | 32 | 28 |
| C | 22 | 22 |
| D | 11 | 11 |
| E | −4 | −4 |
| F | −9 | −9 |
| G | −15 | −15 |
| Geen geldig label, vooroorlogs bouwjaar | −15 | −15 |
Die onderste regel verdient aandacht: een vooroorlogse huurwoning zónder geldig geregistreerd label wordt op bouwjaar gewaardeerd en staat op −15 punten. Van daar naar label A op een eengezinswoning is een verschil van 56 punten — en met de sectorgrenzen van 2026 (sociale sector tot en met 143 punten en maximaal €932,93 per maand, middensegment tot en met 186 punten en maximaal €1.228,07) kan dat verschil een woning van de sociale sector naar het middensegment of zelfs de vrije sector tillen. Daar komt een wettelijke ondergrens bij: per 1 januari 2029 geldt voor gereguleerde huurwoningen een minimum van label D, vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving en gehandhaafd door de gemeente.
Verhuur je een beschermd pand, dan werken twee bijzondere regels in je voordeel. Een rijksmonument krijgt in de puntentelling geen minpunten voor label E, F of G, en op de maximale huurprijs gelden opslagen: 35% voor een rijksmonument (bij huurovereenkomsten vanaf 1 juli 2024), 15% voor een gemeentelijk of provinciaal monument en 5% in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Dat verandert de businesscase van verduurzaming niet in "onnodig", maar wel in "minder gehaast" — reken hem door voordat je de gevel openbreekt.
Wil je zekerheid voordat je tienduizenden euro's uitgeeft, dan is dat precies waar ons optimalisatierapport (€595 exclusief btw) voor bestaat: wij rekenen de labelscenario's voor jouw woning door, inclusief subsidies en kosten per stap, en geef je de werkzaamheden daarna aan ons in opdracht, dan verrekenen we het rapportbedrag met de eerste deelfactuur. Is er van je woning nog geen geldig label geregistreerd — bij vooroorlogse woningen komt dat opvallend vaak voor — dan begint alles bij een verse opname: bestel je energielabel online en onze adviseur komt langs. Eerst vrijblijvend kijken waar je woning nu ongeveer staat? De woningcheck op de homepage kost niets.
Veelgestelde vragen over een oude woning naar energielabel A
Kan een woning van vóór 1920 echt energielabel A halen?
Ja. Het vraagt een compleet pakket — gevel-, dak- en vloer- of bodemisolatie, isolatieglas, een warmtepomp met ventilatie en zonnepanelen — en het is duurder dan bij een naoorlogse woning. Of A op jouw adres haalbaar én zinnig is, blijkt uit een doorrekening vooraf.
Waarom is een vooroorlogse woning moeilijker naar A te brengen?
De spouwmuur ontbreekt, dus de goedkoopste isolatiemaatregel valt weg. De gevel moet aan de binnen- of buitenzijde geïsoleerd worden, de kruipruimte is vaak laag of afwezig en de slanke kozijnen kunnen zwaar isolatieglas meestal niet dragen. Haalbaar, maar duurder en met meer maatwerk.
Kan ik vloerisolatie krijgen als de kruipruimte te laag is?
Onderlangs isoleren lukt dan niet, maar bodemisolatie vaak wel: isolatiemateriaal op de bodem van de kruipruimte. De ISDE vergoedt daar €3 tot €6 per m² voor. Ontbreekt de kruipruimte helemaal, dan blijft isoleren bovenop de vloer over — realistisch alleen tijdens een verbouwing.
Hoeveel subsidie krijg ik op gevelisolatie in 2026?
Via de ISDE €20,25 per m² bij één losse maatregel en €40,50 per m² zodra je binnen 24 maanden twee of meer maatregelen combineert, vanaf 10 m² gevel. Het werk moet door een erkend bedrijf worden uitgevoerd; doe-het-zelfwerk telt niet mee voor de subsidie.
Geldt deze aanpak ook voor een monument?
Deels. Bij een rijksmonument of beschermd stadsgezicht bepaalt de vergunning wat er aan de buitenkant mag, en verschuift het werk naar binnenisolatie en glasoplossingen in het bestaande kozijn. Voor verhuurde rijksmonumenten geldt in de puntentelling bovendien een uitzondering: labels E, F en G leveren daar geen minpunten op.
Wat levert label A op als ik de woning verhuur?
Een eengezinswoning met label A krijgt 41 punten in de puntentelling, een appartement 37. Een vooroorlogse woning zonder geldig label wordt op bouwjaar gewaardeerd en staat op −15 punten. Alleen al dat verschil kan een woning over een sectorgrens tillen — en dus naar een andere maximale huur.
Dit artikel is met behulp van AI samengesteld en inhoudelijk gecontroleerd door de energielabel-adviseurs van LabelMax. Bedragen, boetes en subsidievoorwaarden veranderen; controleer je eigen situatie altijd bij de officiële bron of vraag het ons even na.